zaterdag 7 maart 2015

JOB 22:22

dinsdag 24 februari 2015
23:22



We houden ons niet bezig met dat verre doel, omdat we nu eenmaal met een algehele zekerheid weten hoe elke kleine stap er ons toe leidt het Allernieuwste alweder te verwelkomen. Daarom, talm niet langer, verzucht het stilstaande, en verzet die zwaarte, een grote stap voor jou, een kleine stap voor het Zelf. Niets kan dat tegenhouden, noch water, noch vuur zijn van dezelfde orde, het Leven is hen voorafgegaan en heeft zich nooit gewonnen gegeven, totnogtoe. En nog steeds niet. Het zijn geen stellingen, mijn beste, het is de puurheid, voel ze in het hart, beleef ze in je hoofd, vertaal al je dromen tot herkenbare kennis, uiteindelijk kan je niets anders meer merken dan alleen maar Leven, vervuld van de dood. Voor sommigen is het nog even, voor Ons is er niets anders dan Leven. Niemand heeft jou te verbieden te nemen en te geven, men beticht het Leven van te Geven en te Nemen, maar in welk bewustzijn is dat dan ook weer ontstaan? De vraag is een instinker, zoals u wel weet.

Stromende haren

De ware vraagsteller kent de beweging, Hij die vraagt ontvangt telkens weer de volgende vraag. Het enige wat behoorde te gebeuren was natuurlijk het tonen van de Sleutel. In ieders bezit en onmogelijk te ontsluieren indien men zonder het plegen van verraad wil stelen. Indien die Innerlijke stem zou spreken dan ziet men de gekruiste speren verdwijnen, de toegang is immer vrij en open voor iedereen. Met het vragenspel kom je niet binnen. Waarheid en Zekerheid en Weten, denk je dan, maar kom, er is niets verkeerd aan het vragen stellen, alleen ben je ontnoegd dat enkelingen kunnen spreken over een open en vrije Hemel, die in de verste verte niet in je nabijheid te bespeuren valt. En dan is de vraag: waarom toch zo geïnteresseerd in dat onbekende, waarom het willen openen van deuren waartoe je niet in staat bent? Zij die het uit alle macht blijven proberen: elke poging is nutteloos, noch met geweld, noch met forceren, alleen de krankzinnige denkt te kunnen doorgaan

Al stilstaande

En allen zijn wij Job, waar men direct daarna ons herinnert aan de huidige tijden - die nochtans na duizenden jaren al zo anders hadden mogen zijn, en dus is Job geen onderdeel meer van de Tenach, maar betreft het elk Leven, ieder op zijn eigen kracht. Kinderlijk is het soms toch, te smeken om deze of gene God, men ziet soms werkelijk niet hoe de redding dikwijls in de nabije omgeving - tussen al die andere wezens die men niet kennen wil - op zich laat wachten. En dan zijn er natuurlijk de onredelijke eisen van onmiddellijke vervulling, eeuwige roem en het O-Heer-onthef-mij-van… En dat iedereen zo'n tijden zal meemaken, we ontlopen ons Lot zoveel mogelijk, juist omdat we heel goed weten wat de draagkracht van ons vraagt. In een andere soort van vraag dan. Het had U al mogen opvallen dat het enkel gaat over het steeds wederkerende Geven en Nemen. Alzo is het krachtens de Wet. In dezelfde stroom zwemmen dan Communicatie, Contact en helemaal achteraan zien we

Een flits van Herkenning

Een begrijpen, het vatten, op het uiterste van je kunnen slepen we in het zog ook nog dat bewustzijn er achteraan. Bij elke flits van Herkenning is er dan dat contact met het Ik, vrij en open in Alles, dat erkenning vraagt van je wollen Zijn dat noch bewust, noch geheel wakker is. Tussen al dat braaiende gewauwel van 'zogezegde' grootspraak is het enorm moeilijk het verband te leggen tussen de Wij, het Ik en het wufte wazige wezen dat nog maar net fantaseerde te Zijn. U grabbelt en gist naar het Moment, ook al wist U dat die poging nutteloos IS. Verleden, Heden en Toekomst zullen nooit oplossen, net zoals de vraag nooit een degelijk antwoord zal krijgen, het was in 'den beginne' niet nodig en ook NU niet. Op dezelfde manier maakt u vloeiende droomkastelen uit droog zand, stel de vraag dus niet voor U zelf, stel ze voor ons allen. Want Uw Ik is inderdaad in Ons, daarom spraken we altijd al over Wij. En 'Trust Me' is niet het nieuwste literair verzinseltje om je gemoedsrust om te kopen.

Zo Eeuwenoud

Twee en een halve slapen introduceren de resonantie van een wervelende band rondheen je opperhoofd, in het offer kies je je pluimen om het Geheel in alle kleuren te voltooien. O Heer, wees lichtvoetig in uw lompheid, verhef uw stem niet maar zwijg stil en wees zo als steeds Groot in het Kleine. Het gegniffel verborg zich in de donkere uren van het maagdelijk zijn. En daar waar het eenmaal is ontsproten zal het ten andermalen ontspruiten. Wie waagt zich het water te kanaliseren, wie durft te denken in Hemelse neerslag, die woedend het vriespunt kan kraken, het ene brandt, het andere brandt. Het Innerlijke uur vaart voort in ons kabbelend wereldje, zowel warmte vanuit het niets, als warmte vanuit de Zon. Men breke de koppen, maar voorzichtig, het smelten vraagt niet naar hitte, het vraagt naar de eindeloze cirkel van duurzaamheid, je schuift de ring over je vertrouwen heen. Driemaal draaien naar de ene kant is driemaal draaien naar de andere kant. Krachtens de wetenschap,

Alzo is de Wijsheid

Alzo is de Wijsbegeerte. De ene niet ouder dan de andere. Wie niet vraagt, niet wint. En dus, wat was er te verliezen? Het is waar, het klinkt alles belachelijk in de oren van een huidige tijd die binnenkort nooit meer zal zijn. En toch ziet U niets veranderen, want u ijlt in de toekomst en ijlt weg van het verleden. Niets kan ooit goed zijn zolang er nooit een tijd voor is. En wie maakt dan die tijd? Geef U zelf een kans en verzin de meest onmogelijke redenen om alsnog voorlopig geen tijd te hebben voor dat Innerlijke onbekende. En toch, men zag U voor de poort staan, in alle verwondering verrukkend uitziende naar een opening om toegelaten te worden in die duistere verholenheid. Men zag U de dromen van Weidsheid opwerpen om toch maar binnen te mogen, men zag u knielen en smeken naar die goedkeuring van alles en iedereen, hopende daarmee de onmogelijke entree te kunnen vereffenen met waardeloze gouden talenten. U gaat er elke nacht heen, in en uit, onvatbaar diepe put,

De Materie in het Bewustzijn

En de echo herhaalt en verspreidt zich in de schachten der mijnen, men hoort het diepe zuchten van een hiaat die niet kan bestaan, telkens opnieuw vindt Zij zichzelf weer uit, een verlustiging die zich bemanteld in elke mogelijke vermomming. Men herkent haar in andermans ogen, een klank in een stem, suizend zijn de bloedbanen. In geen enkele beweging stelde de Materie ons ooit een vraag, Zij leverde nochtans een antwoord waartegen men U mocht zeggen. O Heer onderschat niet dat, noch ons, want Wij zijn talrijk en U niet. Alzo storten wij ons in elke vernietiging om alsnog een heldendaad te stichten. Het is hopeloos, wij weten dat, maar soms moet men stevig blijven bonzen en beuken tegen muren waar men niet naar heeft gevraagd. Er was geen hoofdingang en men stond er bij en men keek er naar, toch verbaasde iedereen zich over de nodeloos gekruiste speren waar telkens weer datzelfde gevecht zich moest afspelen, een vermoeiende afbeuling tot uiteindelijk alles eindigde in


Een omarming van Wij